De laatste keer dat ik op de klok keek was het februari. Steenkoud buiten ook. Ineens is het alweer mei en een beetje warmer. Ik heb bijna geen koude tenen meer.

Het is niet dat ik geen tijd heb om de dingen te doen die ik wil doen. Het past nog steeds allemaal in mijn agenda. Alleen afwassen schiet er soms bij in.

Ik voel me ook niet opgejaagd, of gehaast. Ik hoef niet te trekken om overal op tijd te geraken.

Daar gaat het allemaal niet om. Ik vraag me alleen af waar alle dagen zijn gebleven. Op een nuchtere manier, zoals ik me ook afvraag waar mijn andere zwarte sportsok is.

Alleen als ik ga lopen heb ik de tijd volledig in mijn greep. Ik combineer een allegaartje aan lussen op de piste, naast de piste en achter de piste, waarvan ik precies weet hoelang ze duren. Als ik op vrijdagochtend voor mijn werk op dąt uur opsta en vertrek, dan weet ik dat ik precies op dąt uur onder de douche sta. Totale zekerheid.

Misschien ga ik daarom steeds langer en steeds liever lopen. Ik kan er iets mee controleren dat je eigenlijk niet controleren kan.