En keer per jaar pomp ik mijn rubberbootje op en laat ik het met een vriendin te water op de Dijle. Het is telkens een kleinschalig, gezapig avontuur dat we die dag beleven. Op dat donkergroene gummi-eiland is het tegelijk heet van de zon en koel door de nabijheid van het water, de ideale enscenering voor mijn Australische hoed en mijn vuvuzela, zo goed als het enige tastbare souvenir dat ik aan mijn Afrikaanse hartbreuk overhield.

Als ik zie hoe behendig ik met zon log voertuig manoevreren kan met enkel maar die vuvuzela als verlengstuk van mijn arm, dan kan ik niet anders dan geloven dat ik een meer dan degelijke slalomkayakster had kunnen zijn, had ik geweten dat het een optie was.

Omdat ik weet dat olympische dromen die na een vijfentwintigste verjaardag ontstaan zelden nog verguld worden en omdat het land waarin ik woon slechts enkele keren per jaar een excursie op de Dijle comfortabel toestaat, bekijk ik het kayakken enkel op televisie. Ik hou het bij lopen, en dan nog tegenwoordig op een lamentabel niveau omdat mijn enkel moeilijk doet.

En zelfs dat, zelfs dat wordt moeilijk als ik nauwelijks buiten ben of de zondvloed komt dan nog maar eens eens het droog is, lukt het ook niet meer, ik moet het synchroonspringen van de mannen zeker zien, daar kan ik niet omheen. Bij valavond pas kan ik weer. Ik heb dan al wat witte wijn gedronken, maar verdoven doet die niet, mijn enkel blijft toch zeuren.

Je kan natuurlijk, als je gesport hebt met iets dat je waarschijnlijk toch als blessure mag benoemen, daarna wel eens zo heerlijk doorzakken voor eurosport.