Net nog bijvoorbeeld liep ik met volle overtuiging met enkel mijn kleinste teentje tegen de hoek van de salontafel aan. Ik deed alsof er niets gebeurd was, vervolgde mijn weg naar de keuken, maar vergat wat ik daar had zullen doen. Ik ging naar boven, het teentje klopte verder. Ik dacht, zo kom ik er vast wel weer op – ik was echt met een doel naar de keuken vertrokken. Maar niets, het zal wel een van die dingen zijn die ik nooit meer zal te weten komen.

Het teentje staat wat dikker nu. Ik zou wel naar de vriezer willen gaan om ijs, maar tegen dat ik daar ben, ben ik dat toch vast weer vergeten. En daarbij, mijn coldhotpack ligt ergens tussen mijn op z’n zondags omgewoelde lakens, ik heb er gisteren mijn enkel mee wilen bevriezen.

Dit loopseizoen doet immers mijn linkerenkel wat vervelend. Vorig jaar waren het mijn heupen nog. Ze leken net een beetje los te zitten. Niet precies helemaal – zoals een tafeltje in je stamcafé dat net wankelt, eerst besef je niet dat je je eigenlijk al de hele tijd aan dat subtiel gewiebel zit te ergeren. Een kinesist loste dat voor me op – de heupen, niet het tafeltje, dat kan ik zelf door een bierviltje in halve maantjes te vouwen en dan verder in zoveel partjes te verdelen als nodig zijn onder het wankel pootje.

Zo is het altijd wat. Een knikkend heupgewricht. Een enkel die gesmeerd moet worden. Lichte hoofdpijn op het einde van een zaterdagse werkdag. Vandaag de donkerpaarse brij die zich ophoopt onder de nagel van mijn gezwollen kleine teen.

Last heb ik er niet van.