Rondom de tuin van mijn ouderlijk huis staat een beukenhaag. Liefst zie ik een beetje chaos rond de orde van dat rechthoekig stukje gras, maar mijn moeder houdt ze graag strakgeschoren – waardoor wat eigenlijk een plant had kunnen zijn, doorheen de jaren een groene muur geworden is.

In de keurig geschoren haag, precies omdat ze zo belachelijk netjes wordt gehouden, vindt mijn moeder om de zoveel tijd een ingedeukt bierblik terug. Een beetje verderop staat een kiosk om de plaatselijke hangjeugd te herbergen en ook daarbuiten troept er soms wat jong volk samen. Een beschuldiging werd dus snel geuit – zij het aanvankelijk enkel binnenskamers.

Het is een bijzonder geschikt onderwerp om aan te snijden met de buurvrouw. Toen onlangs, in deze verrekte lange halve winter, halve lente, het voorjaar toch kortstondig lonkte, stonden beide vrouwen initieel nog in de tuin te werken, maar uiteindelijk vooral te praten op de stoep. Fait divers na fait divers werd aangesneden – het begon allemaal met de promoprijs van houtschors in de plaatselijke hubo, die uitgebaat wordt nota bene door iemand die ooit nog drie huizen verder heeft gewoond. En toen kwam het dus tot die blikjes, die dus door de jongeren in die haag worden verstopt. Welke jongeren, dat hangt atijd wat in de het midden, want je kan toch niet iemand van zoiets beschuldigen, al is het maar op je stoep, als je niet zeker bent. Mijn moeder is en blijft toch redelijk.

Die buurvrouw, die vanuit het grote raam harer woonkamer het juiste zicht heeft op de haag, glimlachte en vertelde hoe het écht met die blikjes in die haag zit. Niet de jeugd steekt ze daar keer op keer, maar de oudste bewoner van onze straat, een man met echt waar een hart van goud, nog net vier tanden en zo’n karretje waarin hij vooraan inderdaad net wat afval kan stockeren.

Het lijkt evident als je afval in je haag heb en hangjongeren in de buurt, om dan, volgens Ockham en zijn scheermes, die losse eindjes aan elkaar te knopen. Een oude man, die perfect ingeburgerd door de straat wandelt met een rollator, wordt daarbij keurig over het hoofd gezien. In de cartoonversie van het leven in deze straat, rolt die man voorbij terwijl mijn moeder nog een blikje plukt.

Ik vind ’t een prachtig ontwricht vooroordeel.