M'n armen hebben sinds jaar en dag de gave om hitte te bewaren. Op avonden na hete dagen, eender waar, zal ik altijd later dan de anderen een lichte trui aantrekken.

Op dinsdag ging ik vroeger slapen dan mijn gewoonte is. Vierentwintig uur onconformtabel vliegen en een tijdsverschil van tien uren vind ik geen probleem, daar wandel ik doorheen. Maar maak van twee uur drie en ik voel me dagen even moe als een restje verlepte rucola ergens vergeten in de groentenla.

Zo lag ik te tienen al in bed, mijn armen nog vol zon, Australisch dan wel Europees. Ik las een boek, dronk een kop thee, genoot van de verkorreling van mijn ogen, de voorbode van bodemloze slaap, toen de stilte buiten werd doorbroken door de pikkel van een fiets. Als een muzieknoot op een gitaar zinderde de nacht nog een fractie langer na, en dan was-ie weer stil, op de achtergrond kabbelt enkel de expressweg.

Zestien te zijn en om tien uur nog thuis te komen met je fiets, de lucht nog zacht te weten. De lente is nu zo aanwezig dat ze evident geworden is, af en toe maar is er die herinnering, als je beweegt in de avondlucht en alleen onderaan nog een klein laagje koud kan voelen, als je een nog warme arm verlegt onder wit katoenen beddegoed.

Wat contrasteert die arm, nog bruin van verre werelddelen, fel met al dat wit.

Gisterennacht was bijna zomer.