Toen mijn nichtje na mijn thuiskomst uit AustraliŽ alleen maar leek te willen huilde, gaf ik niet graag toe hoe dat mij bijna net zo treurig maakte. Het kind maakte het allang goed door samen met mij een boek te lezen of toch heel goed te doen alsof - door een onwillekeurige armbeweging draaide zij een blad om - bijna net op tijd.

Van het concept kinderen ben ik nochtans geen fan - er is me teveel marketing rondom gebouwd, teveel profileringsdrang van ouders, teveel gedoe als ze in groep verschijnen. Maar individueel hou ik van hen allemaal.

Het liefst zou ik ze allemaal zelf helpen met de miserie die ze hebben - of dat nu vaccineren tegen kinderziektes is, of melkpoeder mengen met zuiver water. Of visionair worden en de juiste klassen thuishouden van skivakantie.

Ik ben met vijfentwintig al gehard genoeg om te aanvaarden dat mijn rol kleiner is dan dat - maar huilen doe ik wel, bij promospotjes van ngo's, in het midden van Afrika, en soms, als de dag begint met extra nieuwsuitzendingen, soms op de meest onverwachte momenten. Als er mij tijdens het lopen iemand passeert met een kleine hond die een oranje bloemetje heeft in zijn kuifje. De oude man trok zijn hond zacht een beetje naar hem toe om mij een breder pad te geven. Mijn gezicht was toch al nat van al dat zweet.

Thuisgekomen was er extra nieuws - de zakdoeken lagen nog waar ik ze 's ochtends had gelegd.

En later, nog later at ik noedelsoep met tranen.