De haren op mijn armen zijn alweer bruin geworden – op het hoogst van mijn Australië waren ze zo wit als witte suiker, mijn armen zelf de pannenkoeken. En toen ik enkele dagen geleden dertig centimeter van mijn haar liet knippen, verdween daarmee niet alleen de verdorven punten, maar ook het blondste blond – die sluier van schoonheid die het Zuiden over me drapeerde.

Daaraan dacht ik in die eerste, lege dagen helemaal alleen op reis, dat ik, als ik me dan toch niet amuseren zou, tegen mijn verwachting in, toch blond zou worden en bruin en slank, want eten was te duur. Zo kwam ik te weten dat ik oppervlakkig was zoals bijna iedereen en in de loop van de maanden die daarop volgden kreeg ik daar vrede mee, want vrede kreeg ik met alles – behalve met de frons tussen mijn wenkbrauwen, maar een Australische mijner met rugproblemen en een mangoboom verzekerde me dat die onzichtbaar werd, als ik maar glimlachte.

Hij zette zijn duim tussen mijn ogen en bewoog die op en neer – iets waar ik me zo niet aan verwachtte dat ik ervan lachen ging, breeduit en onbekommerd. Look at you, zei toen die vijfitger, you’re beautiful.

Ach ik hoef maar aan dat moment te denken of ik glimlach weer, en dan prompt alweer iets breder.

Sinds Australië ben ik in het diepst van mijn gedachten soms een vrouw die zich omdraait en dan glimlacht en zo de hele rechter-, linkerkant van een café kan doen oplichten zoals de zon.