Onlangs zette ik alle dingen die ik kon doen op een rijtje en terwijl ik dat deed, overviel me een gevoel van formaliteit - ik wist al wat ik wilde. Ik wilde naar huis. Niet op de betraande manier van de eerste dagen in dit land, niet op de vreemde, ietwat gezellige manier van rond kerst, maar gewoon.

Daarnet wandelde ik mijn laatste avondmaal tegemoet in deze stad - ik glimlachte, want ik glimlach vaker nu en een man speelde een liedje op zijn gitaar en zong daarbij, ik gooide een stuk van vijftig cent in zijn koffer. Zo'n muntstuk heeft hier twaalf hoeken, dat telde ik daarna voor het eerst.

Dan at ik een broodje haloumi en checkte ik mezelf digitaal in in mijn vlucht voor morgen, ik zal zitten op de stoel achter de vleugel, mijn gezicht zal ik vlijen tegen het raam nadat ik een cetirizine heb genomen (neveneffect: slaperigheid).

Ik ben zo blij. Niet omdat. Gewoon.