Be aware of wandering cattle, staat er hier soms langs de weg. Er zijn hier veestations zo groot als mijn lief vaderland, goed zot dat ze die gans omheinen zouden gewoon omdat een reep asfalt van die ene kant voor altijd ook de andere maakt.

Er is iets met dat woord wandering dat me altijd doet denken aan het verschil met wandeling. Misschien is het het gebrek aan richting dat het eerste woord zacht resoneert en dat zo goed past bij de blik van de gemiddelde koe - even dom, frappant genoeg, als die van een koe die naar een trein te kijken staat.

Soms kan je een koe nog het beste vergelijken met een koe.

Hoe dan ook, de radix beider woorden lijkt me toch precies hetzelfde, een eender verlangen naar de andere kant - hoe je er ook geraken wilt.

De andere kant bijvoorbeeld van de snelweg, waar vrachtwagens tot 54,4 meter lang ervoor kunnen zorgen dat dat schijnbaar groenere gras voor altijd even sappig blijft als je als kalf, tegen de uier van de moederkoe genesteld, altijd al had gedroomd. (Als je maar lang genoeg eentonige, kaarsrechte, wondermooie snelwegen bereist, dan ga je op den duur teveel nadenken bij het zien van voortijdig gestorven runderen in de rode aarde van de afwezige berm.)

Of misschien die andere andere kant, die van het grootste concept dat je als gewone sterveling ooit echt bevatten kan - die grote blauwe wereldbol waar je als kind soms even, in miniatuur dan toch, mee draaide.

Die was het.