Gisteravond nam ik voor het eerst in maanden weer een echte douche.

Op de boerderij waar ik niet alleen mijn headset maar ook een stukje van mijn hart heb laten liggen, was de straal van de douche zo frustrerend smal dat ik ‘m al snel links liet liggen. Wekenlang zeepte ik mijn haren en mijn oksels in, met mijn blote billen op de oever van het meer gezeten. Daarna dook ik onder water en keek ik achter me – het water werd net zo wit en net zo schuimend als melk op cappuccino. Keer op keer kwam ik boven water en sloeg ik mijn versgewassen haren uit mijn gezicht en keek ik achterom, naar de wolk van shampoo die achter me al begon uit te dunnen. Ik heb me te lang geborgen geweten door dat zacht omarmend water, want gisteren deinsde ik achteruit toen de straal begon te spuien.

Ik ben een kluizenaar, zo lijkt het wel, die de wereld weer moet leren kennen. Mijn eerste avondwandeling in deze stad heb ik gisterenavond al gemaakt, na die ene douche. Ik was op zoek naar een karig, goedkoop maal en ik trok noch sokken aan, noch schoenen. De vrijheid van mijn tenen wil ik nog even blijven koesteren.

Als je zoveel dromen die je had op één plek bewaarheid hebt zien worden, zou het dom zijn ze eenzelfde avond allemaal weer op te geven.