Ik neem de vlekken op mijn blauwe halfjasje mee.

Het is zo'n jasje dat geen echte jas is en ook geen trui meer, te gesofisticeerd. Op een website waarop sportartikelen worden uitgestald zag ik onlangs een kopje softshells bovenaan, ergens tussen daypacks en wandelschoenen. Wat een daypack is, daarbij kan ik wel wat bedenken, en ook wandelschoenen laten niet veel aan de verbeelding over - of het moest de wandeling zijn die ik binnenkort over vreemde stranden kan maken - maar bij softshells kon ik me alleen gummi schilden voorstellen, waarvoor ik dan weer geen echt nuttige toepassing bedenken kon.

Een softshell blijkt zo'n halfjasje te zijn. Soms is er gewoon niet genoeg moedertaal.

Op mijn blauwe, zachte schild zitten onderaan wat vegen kettingsmeer, van toen die keer het heel druk was op de trein en ik mijn vouwfiets over de hoofden van een aantal nukkige, onbeweeglijke pendelaars moest tillen. Die vlekken gaan er niet meer uit want ik heb ze er ingewassen - had mijn moeder de eerste keer de leiding over die onderneming gehad, dan waren ze verdwenen, want zij is bedreven in inwassen en uitwassen en ik niet - ik was alleen, op veertig graden.

Ik neem ze mee, die vlekken op het jasje dat aan de naden soms wat water doorlaat. Omdat ik zo kan kijken naar beneden en zien wat ik achterlaat. Niet enkel de vrienden die nu ook weer niet zo en masse terugmailen als ik ze vertel dat ik bijna vertrekken zal - enkel de belanrgijke, dat zal je altijd hebben - en de familie die ik niet groter of nog gelukkiger zal kunnen zien worden in dat vreemde land, maar ook de medemens die niet opstaat waardoor er vlekken komen op mijn jas.

Ja, dat van die naden is misschien wel een probleem, maar in mijn verhuis kwam een potje boven dat daar wat aan kan doen. Dat zal je dan altijd hebben, dat je dingen vindt die je niet nodig hebt, maar toch wel kan gebruiken. Voor de zekerheid.