'Ik haat mijn leven.'

Zei ik zes maanden geleden in een taveerne tegenover een beker ijs of een pannenkoek, dat weet ik nu niet meer. Ik denk dat ik dat meende. Ik was vers terug uit NamibiŽ, helemaal beurs van liefdesverdriet en overtuigd van het feit dat niets ooit zou veranderen. Niet het liefdesverdriet, niet de slechte internationale telefoonverbinding met Windhoek, niet alle andere dingen.

Ik zou toen toch zo graag, alleen wist ik niet wŗt.

Een week later vroeg ik een werkvisum aan voor AustraliŽ. Dat was een greep in het ongewisse, want in landen helemaal alleen zijn mensen per definitie nog meer kwetsbaar. Maar een greep in het ongewisse was op dat moment de enige mogelijke greep en toen ik dat visum ook nog kreeg, haatte ik mijn leven een heel klein beetje minder.

Nog steeds word ik soms wakker en denk ik: ach. Omdat er niemand naast me ligt. Omdat de trein van 7.44 nooit voor de verrassing knalroze wordt geschilderd. Omdat ik weet hoe koud de woonkamer zal zijn en hoe ongezond de loops die ik ontbijt.

Maar vaker lukt het beter dan zes maanden geleden toen ik mijn leven echt haatte en pas echt leerde te doen alsof.

Ik kocht immers een ticket naar het land down under waar ik in volledige vrede met mezelf, de wereld en de warmte van de zon mango's zal plukken, koper zal mijnen of schapen zal scheren

Op de vraag hoe gaat het is goed bijna een antwoord dat ik echt altijd geloof.

Ik zou nog steeds zo graag, ik weet nog steeds niet goed wat, alleen komt dat me tegenwoordig meestal wel goed uit.