Het werd januari en even werd het lente. Ik kuiste het huis, zette mijn raam open en ik dacht: goed, dat was de winter. De verwarming gaat af tot volgend jaar oktober en met het forfetaire bedrag dat ik ervoor betaalde kan ik kleren gaan kopen voor de zomer.

Ieder jaar loop ik erin. Drie warme dagen in januari.

Toen zette ik mijn verwarming weer open en dacht ik: hé, ik moet ook nog naar mijn vader bellen. Gewoon. Zoals ik even tevoren had gedacht: ach, die prei in de frigo wordt slecht als ik er niet gauw wat mee doe.

Ik maakte soep, belde mijn vader. Niet noodzakelijk in die volgorde.

Twee dagen later zat ik tegenover hem. Ooit scheidden mijn ouders en zag ik hem een jaar niet. Dat werden er twee en toen drie en toen twintig en toen zat ik tegenoven hem.

Mijn vader bleek een dik mannetje vol zelfmedelijden.

Soms is iets geen openbaring, geen ontgoocheling, geen vreselijke ervaring en niets om het nageslacht bij kaarslicht te vertellen. Soms zijn de dingen wat ze zijn: voor het eerst in twintig jaar tegenover elkaar zitten en cola drinken en koffie en stil zijn omdat er nauwelijks iets te zeggen valt.

Zo liep ik naar huis, fietste naar de colruyt, kocht geen prei maar wel alles voor verse pizza, maakte verse pizza, zette de verwarming net iets hoger, zag mijn adresboekje waarin zijn nummer op me wachtte liggen en werd beslopen door dat vage gevoel iets nog te moeten doen. Een tekst lezen voor Nederlands. Woordjes Russisch leren. Iemand bellen voor een artikel.

Maar de soep was net gemixt, de vader gebeld, de pizza kon dadelijk de oven in.

Vrijdagavond voelde als de avond waarop ik lang uitgesteld huiswerk toch had afgemaakt.