Er is nat asfalt en nat asfalt.

Soms regent het zo lang in Brussel dat de wegen rivieren worden. Bijvoorbeeld op een aangedampte bus gezeten in de avondspits van zulk een rivier, met al eeuwen het tikketekken van de pinkers van de bus omdat de afslag al eeuwen in zicht is. Een tantaluskwelling in een Belgische januarimaand, zonder zon. Optrekken, vertragen, je trein missen, in een nat gangetje staan.

's Anderendaags is het asfalt nooit droog.

Soms schijnt de zon zo hard op het asfalt van Namibië dat het einde altijd nat lijkt. Een zinsbegoocheling van wie dat niet gewoon is, het eeuwig rechte rijden met telkens dezelfde einder.

Er is nat asfalt en nat asfalt en soms denk ik: van dichtbij ziet het er misschien hetzelfde uit. Maar écht gaan liggen op de stoep en kijken naar de subtiele natte glinstering van de koplampen van Belgische SUV's om nog even terug te denk aan warmere dagen, toen het asfalt vanzelf wel blonk en alleen maar nat léék, zo ver gaat een mens niet tijdens het pendelen.