Alleen van de bevroren dode kat halfweg tussen Schaarbeek en Strombeek ben ik zeker in het nieuwe jaar.

Al zes weken ligt ze begraven onder de uitlaat van de ochtendspits, onder dekens van sneeuw, bespijkerd met de ijskristallen die het smeltwater in z'n haast om te verdwijnen op haar vacht heeft achtergelaten.

Op een ochtend lag ze er niet en op een avond wel, die dag zal ze gestorven zijn. 's Ochtends keek ze naar de andere kant, vast een zware vrachtwagen die net genoeg lucht verplaatste opdat een dode kat zich nog één keer - net niet spinnend - over de rug zou kunnen draaien.

Dat is alles wat ik weet van 2011, dat er een dode kat onderweg naar mijn werk me na zal kijken. Verder niets en dat gaat al zoveel nieuwjaren zo dat ik geleerd heb het te appreciëren. Er komt vast wel wat van, van tweeduizend en elf.

Een onverwachte hand op mijn been in de woestijn zal het niet zijn, of een monorail op de luchthaven van Frankfurt, of een nieuwe job of drie weken zonder warm water in een maand die al zo lang geleden is dat ze bijna 2009 lijkt en niet al net 2010. Dat waren de dingen die ik 2009 niet verwachtte voor 2010 en die daarentegen toch gebeurden. Zo zal het ieder jaar vergaan, in de jaren tien die er bijna aankomen en daarna in de jaren twintig en daarna in de jaren dertig, dat ik de dingen toch niet kan zien aankomen en dat maar beter kan omarmen.

Het is bijna nieuwjaar en de dode kat die op weg naar Strombeek te koud ligt om te ontbinden zal de overgang vlotjes doen verlopen. Nu ligt ze er, toen lag ze er, straks zal ze er liggen, tot het zal gaan dooien. Dan zal ze ontbinden tot een stinkende pap.

De wereld ruimt zijn eigen rommel wel weer op.