Ik doe mijn voordeur dicht als het nog schemert en stap op de trein als het weer schemert en zo zal het de hele winter wel weer gaan, de schemering in, de schemering uit en elke ochtend denken dat ik niet zo zuinig moet zijn en de verwarming wel kan laten opstaan zodat mijn woonkamer warm zal zijn als ik thuiskom en in de keuken de kaas zal gesmolten zijn die mijn moeder is vergeten en die ik telkens vergeet weg te leggen.

Ik heb er ergens vrede mee, voorlopig, met dit land en de roze schemering over het station van Schaarbeek en de zon die opkomt in de bollen van het atomium, de levensgevaarlijke manoeuvres die ik moet maken op het punt waarop mijn handschoenen alweer te warm zijn geworden en de maan die alweer dagen vol lijkt.

Zou zij nooit denken: dit is vol genoeg, en alvast ophouden met dat wassen en een paar dagen rust nemen?

Als ik de maan was, ik zou dat doen, elke derde maand. Een streepje minder zijn dan anders.

Ik ben de maan niet ook al lijkt mijn naam er van ver wat op. Maar ergens in november maakt mijn werk de brug.