Onderweg naar mijn werk staan er twee containers met daarop securité d'abords. Ik vind dat een grappige letterlijke vertaling van safety first en telkens ik er passeer moet ik denken aan die toets Frans in het vijfde leerjaar toen ik vergeten was hoe ik precies aujourd'hui weer moest schrijven en ik een beetje verder op de toets het antwoord vond in een zinnetje dat er al stond.

Triomf toen ik tien was.

Maar goed, die containers hebben een punt want onderweg naar mijn werk duurt wel acht kilometer fietsen, of zeven of zesenhalf, omdat het nog geen acht uur is als ik begin te trappen vind ik dat ik daarin toch een beetje mag overdrijven, ook al is het eigenlijk vijf na acht, maar goed.

Het is vroeg, het is ver, het is gevaarlijk rijden. Elke dag denk ik een keer of drie dat ik zal vallen of zal sterven of onder een auto zal glijden, allemaal dingen die toch niet helemaal verkieslijk zijn.

Toen ik mijn voorste plooifietswiel stuk reed op een stukje Brussel kwam ik bij een fietsenmaker voor een rek helmen te staan, twijfelend of ik die investering zou maken en of ik daar geen spijt van krijgen zou en of het wel staat, zo'n helm.

Als puber droeg ik een helm en ik heb daar waarlijks van afgezien, want ik was sowieso al niet de hipste van de klas en ook niet de luidste of de grappigste, de meest grijze, dat nu ook weer niet maar ik hing ergens in elk midden en ik droeg een fietshelm, dat maakte het allemaal nog net iets erger. Vooral omdat ik niet begreep waarom mijn moeder, die toch hetzelfde verkeer trotseerde elke dag, geen helm moest dragen, alsof ik het niet erg zou vinden dat zij zou verongelukken in een ongeluk dat ik gemakkelijk had kunnen overleven.

Ik vond dat ergens hypocriet, maar iemand zei me dat ik dat als volwassene vast niet meer zou vinden.

Sinds vanochtend draag ik een helm op mijn woon-werktraject en ligt hij op mijn schoot terwijl ik trein.

Ik ben opgelucht dat de volwassene die ik ben de puber die ik was niet helemaal ontgoocheld heeft.