Het begon met de meneer van de Zuid-Afrikaanse winkel om mijn hoek. Ik had net een ticket gekocht naar zijn thuisland toen ik groene briefjes ging binnendoen bij de socialistische mutualiteit, toevallig tegenover de Zuid-Afrikaanse winkel om mijn hoek die ik pas opmerkte toen ik een ticket naar dat thuisland had gekocht.

Ik ging binnen, kocht pro forma een creme soda die ik niet lekker vond en maakte een praatje. Ik vond het jammer dat de man Engels met me sprak en geen Afrikaans maar dat maakte wel dat ik hem keurig verstond toen hij zei Ė en wat nu komt is heel belangrijk Ė Go To Namibia.

Naar het schijnt is het daar veiliger dus liet ik een ballonnetje op bij mijn reisgenoten die ook NamibiŽ wel eens wilden zien. Het vervolg laat zich raden, de hele reis herhaalde ik zijn Go To Namibia als een mantra, met elke keer werd zijn accent vetter en vetter tot het een IndiŽr geworden leek die me die reistip had ingefluisterd.

De mantra noch NamibiŽ lieten me los, ook niet toen ik over Zwitserland naar BelgiŽ was gevlogen en me hier krampachtig vastklampte aan het zomerritme dat me ondertussen zo bekend is.

Misschien lag het eraan dat ik zonder opdrachtgever viel en dus tussen mijn eigen dingen door wat meer tijd had om weg te dromen.

Misschien helpt het ook dat het in de zomer dan wel winter is in NamibiŽ, maar dat het daar ook ís winters beter zomert dan in de beste zomer die deze kant van de evenaar ooit heeft gehad.

Maar niet alleen daardoor lag ik nachtenlang wakker in juli, met mijn ene been onder en mijn andere been boven de klamme dekens. Toen waren de Belgische nachten nog zo warm als de Namibische middagen en als ik dan toch in slaap viel, droomde ik wel telkens dat ik in NamibiŽ was, gruwelijk genoeg net zo lucide dat ik zelfs in dat fictieve Afrikaanse land wist dat ik in mijn bed lag, tussen lakens die klam waren van helaas enkel Belgische hitte.

Ik keek op tegen de huizenhoge herfst die voor ons stond wanneer ik nog langer terug zou zijn vanuit NamibiŽ. Het werd een langvergeten land, een soort van Eden dat ik zelf verzonnen moest hebben, op achtduizend kilometer van mijn hoofdkussen en achtduizend kilometer en ťťn meter zevenenzestig van mijn tenen.