Ik ging naar NamibiŽ.

Eigenlijk ging ik naar Zuid-Afrika en had ik al snel in de gaten dat het WK aldaar roet in mijn krappe budget kwam strooien. Dus van Zuid-Afrika reed ik naar NamibiŽ. Dat deed ik niet alleen, maar mijn medepassagiers hebben geen echte rol in dit verhaal dus hoeven ze ook niet vernoemd te worden, eerlijk is eerlijk en anoniemiteit is bovendien voor veel mensen verkieslijk.

In NamibiŽ gaan de wegen meestal rechtdoor. Soms was er een heuveltje waarop ik mijn hals kon uitstrekken, reikend naar een eventuele bocht in het verschiet, maar vaker wel dan niet was er voor mij enkel een stuk rechte weg van spiegelglad asfalt.

(Als de zon daar net schuin genoeg op schijnt ontstaan er mirages, gigantische plassen water die vliegensvlug verdampen nog voor je er lekker met de wagen kan doorzoeven.)

Er zijn natuurlijk ook wegen van alleen maar zand en stenen en gruis. Een gravelroad heet dat maar met Roland Garros hebben die niets te maken, Serena en Venus zouden er al tijdens hun eerste opslag hun voeten op verstuiken.

Wij reden er gewoon twee banden op kapot. Wat ook niet zo erg is, het is een verhaal dat zich gemakkelijk laat vertellen als mensen reisverhalen willen horen. En toen! Gaat dat dan. Stonden wij daar in de woestijn! Zonder tweede reserveband! En de dichtsbijzijnde stad was ver!

Onnodig te vertellen dat alles goedkwam, zelfs toen ik die twee nieuwe banden inzegende door er te snel mee te rijden en prompt een boete kreeg van twee Namibische politiemijnheren.

Ach, NamibiŽ. Het lijkt allemaal alweer zo lang geleden.

NamibiŽ sloeg een lek in mijn hart. Er sijpelt water uit of bloed of plasma, ik weet het niet, ik heb mijn ribbenkast nog niet opengebroken om eens te kijken wat het is dat ik daar al de hele tijd voel. Misschien is het een gigantisch gat eerder dan een lek en komt er gewoon tocht door telkens ik inadem.