De trein maakte een omweg vanochtend door een fout in de wissels van Muizen. Muizen is de woonplaats van mijn broer, het station en zijn tig wissels zijn z'n buren - dus een fout aldaar is me zelden een reden om mij op te winden, iets dat ik als pendelaar sowieso zelden pleeg te doen.

Op zo'n moment is een vertraging een familie-aangelegenheid. Het is bijna een grapje dat de wissels van mijn oudste broer verstoord zijn, er is een nieuw stukje land waardoor mijn treinreis snijdt, meer tijd om de krant te lezen - en dus ook de opiniestukken. Iedereen tevreden, of toch iedereen die Maartje Swillen heet.

Ergens tussen twee katernen van de krant vroeg het meisje tegenover me of deze trein wel zeker stopte waar ze zijn moest, ik stelde haar gerust met de glimlach die ik speciaal voor bange, beginnende treinreizigers reserveer. Ik weet nog hoe het was een lijn te nemen waarvan je niet zeker genoeg was om zomaar gerust te zitten wachten, ik weet ook nog hoe ik me vastkampte aan stations die onderweg voorbijzoeven en de borden die nooit echt leesbaar zijn, en hoe ik in een fractie van seconden zocht naar blauwe wegwijzers met daarop hopelijk de juiste plaatsnamen.

Ik ben nooit ergens verkeerd terechtgekomen, maar het visioen van een vreemd station, een ijskoud perron en uren oponthoud, het was in die tijd nooit ver weg.

Nooit ben ik sympathieker dan wanneer ik mensen geruststel op de trein.

Het was toch niet alleen zonneschijn en rozegeur en bootjes die nooit vergaan vanochtend. Ergens tussen Vilvoorde en Mechelen ligt een vieze, vuile sloot waarin een gans ondersteboven dreef. Het was niet meer dan een flits van dode vogel, maar wel van één die de lente niet gehaald heeft. Nu vriest het lijk vast vast in de laatste loodjes van deze verrekte lange winter.