Ik zat op een trein maandagochtend, in 2004 nam ik voor het eerst een vliegtuig, later dat jaar stortte er ergens eentje neer. In 1992 kwam er in BelgiŽ een aardbeving voorbij, achttien jaar later was er in HaÔti het serieuze werk. Wie een beetje pessimistisch is, een beetje optimistisch is, kan daar best een betekenis achter zoeken. Dat op een dag een trein, een vliegtuig, een stukje grond waar ik zal zijn, zich de vernieling in zal botsen, vallen, schudden. Of dat ik met een beetje geluk de rest van mijn leven van dat soort rampen zal gespaard zijn.

Ik zal nooit een bijna-doodervaring zien in iets dat er geen in. Ik ben zo niet. Misschien valt ooit de hemel op mijn hoofd. Misschien draait de zwaartekracht zich om en blijf žk eeuwig vallen. Zolang dat niet gebeurt zal ik gewoon een levend mens zijn zonder reden om te klagen.

Maar toch, misschien zat er iemand niet op mijn trein die er wel had moeten zitten. Dat kan. En misschien zat ik dan op zijn, haar plaats. Dat kan ook. Maar verder maakt het, denk ik, niet veel uit. Zal mijn leven anders zijn omdat ik tegen het raam kon slapen donderdag?

Tussen Berchem en Leuven denkt een mens wat af. Tot het eindstation daar is, en de orde van de dag. Daarom hou ik van de trein. En ook door de vertragingen. Andermans ongeluk maakt me soms gelukkig - relativiteit in het station.