Het is tenslotte enkel een andere sleutel in een ander sleutelgat te steken 's avonds, een andere weg af te leggen met dezelfde fiets misschien, andere muren om andere spijkers in te kloppen om dezelfde kaders mee op te hangen. Het is dezelfde zon die me wekt, dezelfde handtas die ik in een hoek gooi, dezelfde kan waaruit ik water drink.

Maar toch, het is verhuizen en plots elders wonen, en moeten wennen aan het kraken van de trap als de onderbuur thuiskomt op een uur waarop ik zondagavond hoop te slapen. De trap van wat nu mijn ouderlijk huis is kraakte niet, die was van steen.

Het is: alles wat ik heb in dozen proppen, de dozen dichtdoen, alles wat ik heb uit dozen halen, de dozen opplooien en plots elders wonen.

Ik heb: een huis waarin ik opgroeide, een digicorder, een sleutel die alleen ik heb, een vloer die moet gedweild worden en een afwas die wacht, een frigo die halfleeg is, een thuis zo dicht bij het station dat ik bijna mijn trein miste vanochtend.