Op de klasfoto van het eerste leerjaar staan drie kinderen waarvan ik me de achternaam niet kan herinneren. Eentje is groot en blond, eentje klein en bruin, eentje nog kleiner, nog bruiner. Hij heette Mohammed en zit op een fietsje en ging in de helft van het jaar weer weg, wat een klein migrantendrama doet vermoeden in mijn wijk - voor de rest waren wij een witte school. Misschien daarom dat er geen protest ontstond aan de schoolpoort met spandoeken en linksgeŽngageerde ouders, wie weet.

Op de laatste les voor de kerstvakantie maakten we taarten van piepschuim. De mijne was werkelijk de lelijkste van de klas omdat iedereen braaf allemaal s'jes naast elkaar had gekleefd en ik me had laten gaan met alle vormen, dus ook de platte schijven die niet eens van ver op slagroom leken (de anderen wel). Op het einde van de dag vroeg ik me af of we na de kerstvakantie naar het tweede leerjaar mochten. Een nieuw jaar, een nieuwe klas, vond ik. Maar omdat niemand anders met die vraag leek te worstelen liet ik het er maar bij, tot ik maandagochtend twee weken later de klas weer binnenschoof.

De leesles was frustrerend - ik kon lezen als de bliksem en de rest van de klas haperde. Dus zat ik rond te turen aan mijn bank omdat ik toch al wist hoe het verhaal afliep. Daan hielp Riet of Riet Daan of ze gingen samen kas-tan-jes rapen in het bos.

Zo ging dat in 1992. Ik zat naast Kim omdat haar achternaam ook met een S begon en ik vergat altijd puntjes te zetten aan de dingen die we in onze kromme vendiagrammen staken.