Elf was ik toen ik skeelers kocht. Met rubberen wieltjes want eerder had mijn moeder ook al groene skeelers met plastieken wieltjes voor me gekocht, de paarse had mijn zus. Of andersom, dat maakt niet uit. Het was wel heel lief van mijn moeder om zomaar die rage te voorspellen en naar de speelgoedwinkel te trekken in haar lunchpauze.

Wij mochten skeeleren op de speelplaats. Die was lekker geklinkerd dus het ging vlot, maar niet helemaal - door de voegen. En toen ik viel stond ik recht en skeelerde ik met bebloede knieŽn verder. Het stond lekker stoer maar echt veel last had ik er ook niet van, al kan ik het litteken zo nog aanwijzen.

Ik heb veel bijgeleerd sinds die dag met die bebloede knieŽn op de speelplaats, maar hoe ik dat precies deed is me ontgaan in al die jaren. Want het tochtje dat ik onlangs maakte eindigde plat op mijn buik op een overweg. Ja, echt lang kan ik natuurlijk niet blijven liggen om te kijken of alles er nog aanhing, maar dat was gewoon omdat er treinen rijden op die sporen en niet omdat ik geen pijn had.

Wel dus. Het litteken van twaalf jaar geleden speelde wit op temidden van de blauwe knie, maar alles trok weg na een paar dagen leed. Toen ik het nogmaals probeerde, eindigde ik op een tuinstoel met twee kussens en zei ik 's anderendaags op de trein dat de man naast me best eerst zou rechtstaan - het duurt wat langer met een verfomfaaid staartbeen, om van de kwelling van plassen dan nog maar te zwijgen.

Al zit zo'n wc voor de rest wel comfortabel. Als er ergens in Leuven een cafť is met wc-brillen op de stoelen hebben ze er voor de zomer een stamgast bij.