Ik weet niet waarom ik in mei zo weinig blogde. Misschien zou u er ook geen zaken mee hebben als ik er wel een reden voor gevonden had. De tijd, misschien. Of de crisis. Of het gebrek aan Dewulf dat om de twee ochtenden mijn dag doorsnijdt. Wie weet.

Ik vind het jammer. Het stond wel mooi, al die maanden onder elkaar in mijn archief, met telkens vier, vijf postjes. Op een vreemde manier hecht ik aan die orde. Het is alles wat ik heb in een wereld vol chaos - waarin mijn kleren een hoop gestreken stofjes zijn in variabele motieven, nauwelijk onderling combineerbaar maar allemaal wel mooi. En waarin de mensen die ik nodig heb om in m'n broodbeleg te voorzien de telefoon niet opnemen of liever niet met mij praten, dat ook. Waardoor ik soms minder verdien dan vroeger in mijn kinderdromen, en telefoonrekeningen betaal die hoger zijn die me lief zijn - afleggen voor ik verbindingskosten aangerekend krijg is niet mijn sterkste kant.

Ik hou wel van de kommer. Het is mijn kommer.

Hij geeft mij en mijn leven een gewicht dat ik als student alleen maar even kende toen bleek dat je moest reserveren om je thesis af te drukken. Toen al was ik blij dat ik de enige was die afspraakloos De Raaf binnenstapte - bijtend op de binnenkant van mijn lip omdat het net zo goed niet kon lukken. Zo stap ik vaak ook de trein op tegenwoordig.

Het is die waas van mysterie, beste mede-pendelaars, die rond mij en mijn rode (vouwfiets) Brompton hangen.