Toen ik tien jaar was danste ik op de Canon van Pachelbel in de Minnepoort van Leuven. Het was februari, ik trad voor de tweede keer in mijn leven op en had een rokje aan in een of ander paars. Op drie mei deden we het optreden opnieuw. Ik was drie maanden ouder, had hetzelfde voile rokje aan en drie mei werd voor de rest van mijn leven een dag waar ik rijkhalzend naar uitkijk.

Van al mijn ingebeelde kinderen waar ik op zondagmiddag moedertje mee speelde - belichaamd door poppen of uitgekozen in catalogi van kinderkledij - waren de meeste geboren op drie mei. Ik nam dat soort spelletjes bijzonder serieus.

Het was dit jaar drie mei eer er weer ijsblokjes aan elkaar vastvroren in mijn glas. Daar ben ik voor geboren, denk ik soms, om zeven ijsblokjes in een longdrinkglas te doen, er water over te gieten, te horen hoe ze kraken, vijf minuten voorzichtig te drinken en dan - het hoogtepunt - de geometische klomp ijs eruit te vissen en verwonderd te kijken hoe recht die breuklijn telkens is.

Daar ging de derde mei over twaalf jaar nadat ik optrad in een paarsig rokje.