Er zitten een paar Franse achternamen in mijn stamboom - hele mooie, ook, het soort familienamen dat ik gebruik als ik ergens reserveer of een bestelling achterlaat, omdat ze beter klinken dan de mijne. Dus echt zuiver Vlaamsch of Belgisch zal mijn bloed en mijn gestel niet zijn.

Maar veel Mexicaans zit er niet in [vast een voordeel in deze tijden]. En toch eet ik graag avocado, wat vreemd is. In mijn hele stamboom, doorheen de hele voorgeschiedenis van beider mijn families, ben ik pas de tweede generatie die zomaar een avocado kan nemen en meteen weet wat gedaan. Pletten, kruiden, smeren. Zo weet ik dingen die mijn grootmoeder niet wist toen ze tweeŽntwintig was. Zij zou gillend zijn weggelopen bij het zien van een groene klomp die veel weg had van een oude handgranaat. Omgekeerd weet ik niet meer wat gedaan bij bomalarm - ons huis heeft geen kelder en het tuinhuis is niet stevig.

Van ťťn zo'n verse advocaatpeer - wist u dat? - nam ik de pit en stak ik er drie stokjes door, die ik op een glas liet leunen dat ik met water had gevuld. De advocaatpeerpit kreeg een wortel en een scheut, kwam in een terracotta pot terecht in mijn home office en is mijn eerste goddelijke creatie. Zo schoof ik God opzij, want het was het water uit mijn kraan en de plaats in eerst de duisternis en dan de zon die ik vrijmaakte van blikjes tomatenpuree (de kast) of vijzels (de vensterbank in de keuken), die maakten dat een plant ontstond, en niet zijn idiote scheppingsplan in zeven stappen.

Er was iets met die gewone klomp schijnbaar dood hout waar toch grommend al een plant in zat. Toen ik vanmiddag door de zak potgrond woelde met mijn blote handen werd ik daar haast emotioneel van. Hoeveel avocadobomen heeft mijn generatie al de vergetelheid in laten rotten?

En tegelijk deed het me denken aan Jip en Janneke, die zoveel pruimen eten dat ze een bos gaan planten. Misschien moet ik dat proberen in dit Vlaamsche land, een avocadobos en een sociaal project met bio-guacamole.