Het gaat heel slecht met de fauna in mijn buurt. Eerst stierf er een eekhoorn op een invalsweg. Dat was triest, maar dat ik hem verlegd had maakte dat ik me zo'n goede mens ging voelen dat ik er de rest van de dag glimlachend bijliep. Hoeveel mensen, vroeg ik me af, zouden het riskeren hun bus te missen gewoon om een eekhoorntje een waardig na de dood te geven? Weinig, alvast.

Toen werd onze bruine kip opgevreten door de hond van de buren. Althans één huisdier dat goed boert deze dagen, denk ik dan, maar het is wel zielig voor de kip. En ook voor ons, want het was de enige die de moeite nam nog eieren te leggen. Maar uiteindelijk zit de lente ook in het scharrelen van de witte kip vervat.

Net nog fietste ik op een kat toe die vrolijk lag te zwaaien met haar benen. Dat doet de mijne ook, met zoveel verve dat het lijkt alsof ze Simon Cowell probeert te overtuigen van zíjn supertalent betreffende heupdynamiek en gevoel voor ritme. Maar anders dan de mijne stopte deze zo abrupt dat er van overgave weinig sprake was. Of net heel veel, dat is ook maar hoe je dat bekijkt. Hij spoog nog net een spatje bloed en dat was dat.

Toen stond ik daar met mijn gloednieuwe vouwfiets, met kippenvel omdat ik wel al een dode eekhoorn en een dode mens heb gezien, en dat telkens langs de weg, maar nog nooit iets levend had zien sterven naast de stoep. Dat vond ik een akelige openbaring, maar tegelijk kon ik de kat niet laten liggen waar hij sneuvelde, omdat dat zieliger wordt naarmate de beesten groter worden. Voor een paard zou iederéén het vilbeluik wel bellen.

Hoe ik de inwendige rommel van de ene kant naar de andere voelde stromen en zijn nek zag verworden tot een loodlijn van zijn lichaam, dat gevoel vergeet ik nooit meer. Het is vreemd dat ik me dat aantrek, want even later kocht ik een potje kip curry bij de slager, gemaakt van dezelfde soort als mijn bruine kip waar ik zaterdag nog aangedaan op heb geroepen.