Negen maanden geleden had ik liefdesverdriet met een grote L. Ik schrijf dat nu express met een kleintje, omdat het alweer een tijdje voorbij, en wat voorbij is telt niet meer voor het alfabet of de grammatica van onze taal.

Het was vervelend dat er iemand zag hoe fantastisch ik ben – mijn enige gebrek, zei ik onlangs nog tegen een vriendin, is dat ik het zelf weet – en daar dan toch niets mee wou doen. Of toch niet veel. Omdat ik toen niet wist dat er ogen waren die ik mooier zou gaan vinden en waarvan ik zou gaan hopen dat ze zagen dat ik sindsdien alleen maar een beter mens ben geworden. (En ook slechter door die keer dat ik op de redactie een mopje over Joden maakte.)

Negen maanden geleden was ik een paar weken lang als een filmster, nog wel zo eentje die vol overgave in snikken uitbarst onder de douche en met haar hand een klauw maakt op de natte muur. Dagenlang heb ik me gewassen met mijn eigen tranen en dat ik die zin toen bedacht, maakte dat ik ook genoot van het verdriet waardoor ik mooi meegenomen ook wat kilo’s afviel.

Als je je best doet heeft alles voordelen.

In mijn drafts vond ik net nog Je blijft aan me kleven als een vlieg aan een vliegevanger. Dat vind ik even kleverig klinken als de vliegenvanger zelf, maar als er even later staat dat ik bang ben dat eeuwige Je weet nooit begrijp ik dat nog béter dan negen maanden geleden.

Het is al een tijdje geleden dat ik me met tranen heb gewassen of dat ik ’s nachts heb wakkergelegen. En ik heb ook weer ogen gevonden die naar me kijken. Ik hoop maar dat ze zien dat ik mijn nagels heb gelakt omdat dat netjes staat en dat ik in zijn buurt ook liever een glas wijn drink en geen bier recht uit het flesje.