Tijdens de dictieles bleek ik bijzonder slecht in declameren. Mijn gedicht ging over een opa en ik hb geen opa, dus kon ik het daarop steken. Ik leerde er dit kennen en droeg het mee in de achterzak van mijn oude jeans, tot ik het verloren legde en daarna niet meer terugvond. Ik ken het al vanbuiten, dus veel last heb ik daar niet van.

VOOR DE LIEFSTE ONBEKENDE

Wat ben ik blij dat ik je nog niet ken.
Ik dank de sterren en de maan
dat iedereen die komt en gaat
de diepste sporen achterlaat, behalve jij,
dat jij mijn deuren, dicht of open,
steeds voorbijgelopen bent.

Het is maar goed dat je me niet herkent.
Kussen onder straatlantaarns
en samen dwalen door de regen,
wr verliefd zijn, wr verliezen,
bijna sterven van verdriet -
dat hoeft nu allemaal nog niet.

Ik ben nog niet aan ons gehecht.
Ik kijk bepaald niet naar je uit.
Neem de tijd, als je dat wilt.
Wacht een maand, een jaar,
de eeuwigheid en n seconde meer -
maar kom, voor ik mijn ogen sluit.

uit: Ingmar Heytze, 'Het ging over rozen', 2002.