In het Rusland van de jaren vijftig was dooi een heel mooi woord. Omdat Stalin doodging, en ook wel omdat onze winters van de eenentwintigste eeuw een puntje kunnen zuigen aan die van Rusland. Maar deze week had ik één keer zo'n koude benen dat ik bezorgd was omdat ik er met mijn vinger in kon duwen zonder precies te voelen waar. Ze zijn gesmolten onder fleece dekens, en dat vind ik een veel leuker lot dan dat van de sneeuw die verkreukeld over autoruiten wegschuift en fietstassen toestopt en de restjes kip bedekt die onze katten achterlaten op het gazon - omdat wij hen kip hebben gegeven, niet omdat ze de onze durven vangen.

Ik vind het vreselijk jammer dat het dooit vandaag. Ik was al gewoon geworden aan de natte kou tussen mijn tenen als ik op mijn blote voeten de krant ging halen. En ik heb wel een leuk topje gekocht om uit te kijken naar de lente en daarnet ook al een kleedje aangetrokken om te kijken of het juk van de zomer mij nog past, maar op elf januari is dat een schrale troost waaraan sneeuw zoveel kan veranderen. Dat het dan zomaar komt te dooien vind ik een heel gemene streek, ik.

Mijn slaapkamerraam staat grootopen om te doen alsof het lente is. Het heft in eigen handen nemen, heet dat.