Op het einde van het tweede middelbaar dacht ik: 'wiskunde, bah' en toen ging ik Latijn-Moderne Talen studeren. Twee jaar later deed Greet hetzelfde en kwam ze naast me terecht in de klas. Ik leerde haar niet beter kennen dan iemand die het bord versierde als er iemand jarig was, of, toch een beetje beter dan, met mij een rouwprentje maakte om een ballon die alle lucht liet lopen wéken na haar eigen verjaardag.

Je leert veel mensen kennen op die manier, weten wie ze zijn en toch niet meer. Of Greet in god gelooft weet ik niet en ik weet ook niet of ze ooit in het middelbaar pijn heeft gehad om een jongen. Of een meisje. Maar ze reageerde hier eens over lasagne omdat ze toen zelf in Italië zat. Je onthoudt veel mensen op die manier.

Vijf dagen geleden werd Greet aangereden door een vrachtwagen. Ze leeft nog, ademt iedere dag met iets meer verve. Ik weet niet of ik een kaarsje kan branden omdat zij tenminste zou geloven dat het helpt en ik weet ook niet of het wel aan mij is om wakker te liggen om een meisje op de intensieve dat ik eigenlijk al vijf jaar niet meer kende. De laatste keer dat ik haar tegenkwam was ik alweer de helft van haar achternaam vergeten.

Er zijn zoveel mensen op de achtergrond die pats kunnen binnenvallen in een mensenleven. Zwaargewond dan nog, alsof ze even vergeten was dat déze generatie echt onsterfelijk is - unlike de achterzestigers en alle anderen. Heel even maar, tot ze zich herpakte op de spoed of enkele dagen later in een oncomfortabel ziekenbed.

Zo. Het is niet van mijn gewoonte, maar de boodschap is duidelijk en onversneden: duimen uit wie er heeft, kaarsjes aan wie dat wil, bloed geven wie dat mag.

En er gaat niemand dood.