Eerst had ik een hele hoge kamer - vier meter op het hoogste beetje en die kreeg ik nooit helemaal volgeslapen. Terwijl het wél gemakkelijk lukte cafés mee naar huis te nemen door mijn kleren er neer te gooien en in mijn bed te kruipen zonder mijn tanden te poetsen - sommige doodzondes zijn na drie uur toegestaan. Dat heet dan oneerlijk verdeeld, want ik word niet graag wakker in een mengeling van tabaklucht en alcohol en zweet, en wél in een walm van slaap.

Toen besefte ik dat er hier in huis ooit vier kinderen woonden - denk aan: net een heus gezin, van Herman de Coninck - en dat ik de laatste ben die achterblijft. Drie kamers werden mijn deel - in één deel kan ik freelance werken, het andere dient om mijn kleren neer te gooien - er staat een tafel in, een rek en ook een kast, maar de vloer werkt voor mij eigenlijk vaak best. Het café waarin ik 's ochtends wakkerword is dan teminste al rookvrij nog voor dat wettelijk verplicht is.

Maar het beste is toch het stukje waar ik slaap, anderhalve meter op het hoogste punt, hoop en al. Dus als ik 's avonds al gerommeld heb daarboven - op zoek naar een pyjama of iets dat daartoe kan dienen kom ik vaak een boek tegen - hangt er al een weeë wolk van slaap die als narcose werkt. Als een trein ben ik vertrokken dan, zo'n snelle zelfs die voorrang heeft en dus lekker optrekt om de trage voor te zijn.