‘In de paasvakantie zijn we in Algerije geweest omdat mijn nicht trouwde. En daarom zijn we nu niet op vakantie. Maar dus eigenlijk blijf ik niet het hele jaar thuis, want ik ga ook nog op taalkamp in november.’ Jiyan is net gaan zwemmen met vriendinnen. Ze zien er een beetje verveeld uit, maar in het grijze weer van de laatste dagen lijkt elke elfjarige er wel doelloos bij te lopen.

‘Vroeger ging ik niet graag naar Algerije, omdat ik toch nog geen Frans kon en ik vind het eten ook niet zo lekker. En ik ben wel een beetje bang van mijn nonkel.’ De andere meisjes giechelen, ze zijn duidelijk vertrouwd met de verhalen over een grote man met een donkere snor. Ze zijn spierwit, hebben nog niet veel zon gezien dit jaar. Jiyan steekt donker af tegen haar vriendinnen.

‘Maar dit jaar vond ik het wél fijn. Vorig jaar was ik ook al op taalkamp gegaan en in het vijfde leerjaar leren we Frans, dus deze keer kon ik al soms verstaan wat ze vertelden. En we hebben ook Belgische frietjes gebakken. Want ik vind dat als wij altijd een beetje Algerijns blijven, dat mijn nonkel en tante die nog in Algiers wonen toch op den duur ook een beetje Belgisch worden. Dat vond mijn papa goed gevonden, hij vindt frietjes ook lekker. We moesten dan wel een frietketel gaan kopen omdat ze dat niet hadden. En de frietjes hebben we zelf gesneden.’