Ik weet niet hoe lang geleden het was dat ik mijn vingers aan elkaar lijmde en zo tijdelijk gehandicapt door het leven ging. Waarschijnlijk van het vijfde leerjaar. In het zesde werden we te groot voor zo'n spelletjes. Ik stak mijn fietshelm onder mijn t-shirt en met alle meisjes speelden we een doorgedreven rollenspel, ik was zwanger - omdat de helm van mij was - en zij stelden me vage vragen die we oppikten in televisieprogramma's. Wekenlang in mijn herinnering en dus vast niet meer dan een paar dagen.

Tijdens mijn thesiswerk van vandaag kwam ik kauwend op een stukje Poolse grammatica - naamvallen, zeven liefst - een prittstift tegen. Kalt auswaschbar, las ik, en ik dacht, ach wat, laat ik mijn linkerwijsvinger nog eens vastplakken aan zijn buur. Het voelt vreemd vertrouwd, ook al had ik vroeger tijdens speeltijden geen wi-fi en geen laptop en heb ik er nooit mee moeten typen. Kaatsen deed ik ook al rechts, dus een echte handicap is het nooit geworden. Omdat ik rechtshandig ben en de lijm niet netjes op mijn rechtervingers krijg.

Benieuwd of lavable l' eau froide klopt.