Een goed jaar geleden schreef ik dit. Ik vind het nu nodeloos pathetisch en ik denk weleens paaiend terug aan de beginnende weblog die toen nog nauwelijk bestond. Zoals ik ook weleens paaiend denk aan de domme dingen die ik vroeger deed en waar ik nu, uiteraard, veel te levenswijs voor ben geworden. Ach, denk ik dan, ik was toen nog zó jong.

Eenentwintig, juist, denk ik dan vermanend.

Welnu, ik zou het vandaag allemaal opnieuw schrijven. Ik ben dan wel niet meer in Krakau, maar voor de rest klopte het. Een halfuurtje heb ik vandaag buiten doorgebracht, los van de krant uithalen in pyama op sokken (trippelen om ze niet té nat te maken). En los van de kippen eten geven. Dat halfuurtje was op de fiets naar het centrum van Leuven, en het klópte allemaal zo, wat ik zag en waar het mij aan deed denken.

Ik had mijn splinternieuwe schoenen aan en het was niet echt te koud. Het was eerder frisjes, zoals het in de zomer ook frisjes kan zijn. Maar dan frisser. En er was een knop aan alle bomen en toen er een bus voorbijreed deed de stank van de uitlaat mij niet denken aan de verdoemnis van de wereld, maar aan vakanties in Engeland, vier jaar geleden exact, en Parijs en Griekenland. Iemand die uit de verte iets riep. De geur van gecomposteerde sinaasappelschillen, en dat deed me denken aan het vierde middelbaar, toen we een biosfeer maakten door alle elementen in een flesje te proppen, maar toch vooral schillen van fruit. De bedoeling was een nieuw universum te creeën, met behulp van een zakdoekje met mijn bloed en een bubbel speeksel van Leen. Toen de lente daar was sijpelde er enkel sap uit dat stonk naar compost.

Er komen fan-tas-tische tijden aan, ik voel het aan mijn water.