Lang zoeken naar een bus naar de luchthaven. Een trein naar de luchthaven nemen. Wachten op een vliegtuig met vertraging. Het vliegtuig uit Amsterdam zien aankomen. Nog altijd Hollanders herkennen. Twee Poolse kindjes hun mama zien omhelzen. Zijn ze daar? Misschien langs die deur? Ja? Ja? Ah, daar zijn ze! Sukkelen met veel te veel bagage. En een bus nemen naar een station. Dat blijkt geen station te zijn. Een tweede bus nemen naar een station. Daar een trein nemen naar een station. Een taxi nemen naar huis. Ons huis tonen. Ons huis. Koffiekoeken met rozenconfituur eten. Slenteren over de grote markt. Allez, niet slenteren! Op restaurant gaan onder het chiqste restaurant van heel de stad. Op wc gaan in het chiqste restaurant. Allez, en de obers ambeteren. Thee drinken in een Marrokaans café. Verder wandelen. Voor de eerste keer een hele dag in Krakau geen nonnen tegenkomen.

Veel te vroeg opstaan. Inschrijven in een les. De les volgen. Moe. Thuiskomen en er is al iemand. Poolse taart eten. De Joodse wijk bekijken. Of tonen. Naar de les gaan. Saai. Taalinterferentie all over the place. Thuiskomen en kunnen bellen. Piwoewiwoewiwoe. Op restaurant voor zo weinig geld. Meer geld geven aan een decadent dessert dan aan een hoofdgerecht. Veel te veel gegeten hebben. Thee drinken. Op café.

Moe. Maar tevreden.