Een meisje van twaalf zwaait vrolijk, uitbundig zelfs, naar de leidster-van-vroeger die voorbijfietst. Meisjes van twaalf staan doorgaans sceptisch tegenover alle mensen die op een grotemensenfiets kunnen zitten met hun tippen op de grond, zeker als het chiroleidsters betreft die vroeger, toen ze meisjes van zes waren, spelletjes met hen speelden en daarna steeds vanalles tevoorschijn wisten te toveren, bekers met water of een vieruurtje of een bol koord om zotte dingen mee te doen [die dingen kwamen uit het materiaalkot, en wie daar ooit geweest is kan bevestigen, enige magie is nodig om dáár dingen terug te vinden].

Dat ze toch nog dag zeggen, ik ben al bijna twee jaar niet meer vertegenwoordigd op zondagmiddag en op kamp ben ik ook maar iemand die tegen wil en dank bloemkool op ieder bord legt. Het maakte dat ik kamerbreed glimlachte de rest van de weg, hoewel ik aanvankelijk beteuterd was vertrokken, wegens allerlei, bijvoorbeeld alleen al dat het te koud is om nog de kou van de lente te zijn. Mijn mp3-speler zal op zo'n moment ook nooit vrolijke deuntjes selecteren [overigens zit mijn rechteroor vol water en gaat het stereo-effect een beetje verloren].

Maar ho! Meisjes van twaalf die zwaaien, uitbundig zelfs.