Ik loop nog steeds belachelijk weinig, en de helft daarvan is dan nog wandelen. Omdat het er vooralsnog immer uitziet als een halfslachtige poging tot hobbelen doe ik dat ver buiten de openbaarheid. Ik loop achter mijn huis om een paadje in dat via een steil stukje berm naar het voetbalterrein van F.C. Tabor leidt. Dat terrein ziet er nog slechter uit dan het klinkt, maar het wordt wel omgeven door een modderig pad waar ik zonder veel overbodig geschok mijn spiksplinternieuwe loopschoenen kan bevuilen. Die schoenen zien er na zeven keer hobbelen dan ook uit alsof ik ze al zeven jaar gebruik, maar dat kan er alleen maar voor zorgen dat ik er professioneler ga uitzien. Om de sleur van zeven keer toertjes lopen te doorbreken liep ik ze vandaag in de andere richting.

Het voetbalveld is ook the place to be voor oude kribbige dametjes en sombere heertjes, liefst met een hondje met bijgeknipte oren. Als daar geen oudemensenseks van komt, dan doen de hondjes het vast wel in hun plaats, in de struiken rond het paadje rond het voetbalveld van F.C. Tabor gebeurt vast meer dan een mens zomaar kan vermoeden op een lentedag in feburari. Het idee was in mijn hoofd gedrongen voor ik er erg in had en door de schok liep ik een halve minuut te lang, zonder daarvan dood te gaan. Ik was, ondanks het feit dat ik ook gedegouteerd was, een beetje trots op mezelf. Een beetje, zeg ik, want drie minuten en een halve, dat is nog steeds bijzonder magertjes.

Of hoe oudemensenseks mij vandaag geleerd heeft dat ik vooruitgang boek.