Ik mag dan wel niet gelovig zijn, ik ben wel bijzonder bijgelovig. Op een bijna compulsieve manier zoek ik dingen die geluk kunnen brengen. Een buitenlandse nummerplaat, bijvoorbeeld, brengt geluk, vind ik, dus ben ik altijd blij als ik in de Redingenstraat een Bulgaarse auto zie en op Parking Bodart een stuk of vier Poolse. Dat er in de Redingenstraat vast een Bulgaar woont en dat Parking Bodart nogal dicht bij de kringwinkel ligt heeft daar vooral niets mee te maken. Op een dag, hou je vast, heb ik een auto gespot met een nummerplaat uit Florida.

Ik wens al wat mogelijk is als ik een wimper vind, en vervolgens ben ik bang dat het een wenkbrauwhaartje was. Examen na examen heb ik intussen al zeven semesters lang elke wimper verspild aan wensen dat ik erdoor zou zijn, en semester na semester was ik op alles door. Je moet geen genie zijn om daar een beetje van ge´mporteerd geluk in te gaan zien.

't Was vooral selectief geluk, want tussendoor, op dagen dat ik veel wimpers verloor - dat waren dan vooral de dagen waarop ik moe was en veel in mijn ogen wreef - wenste ik andere dingen, zoals dat mijn ouders niet zouden scheiden (wat, gelukkig, wel gebeurde), dat ik de man van mijn leven zou tegenkomen in het station (wat niet gebeurde), dat de zieke papa van een vriendin een beetje beter zou worden (wat gebeurde). En de jongen waar ik jaren geleden op verliefd was werd niet mijn vriendje, ondanks de gigantische vallende ster die ik eerder die avond mocht zien.

Het botst met de rest van mijn gedachtengoed, dat athe´stisch is en niet gelooft in de manipuleerbaarheid van dingen, of toch niet door wimpers die ik wegblaas. Dus ik ben ermee gestopt, vorige week. Geen wensen meer. Er mogen sterren op mijn hoofd vallen, het mag klavertjes vier gaan regenen. Ik ben niet opgehouden met in mijn hoofd dingen te willen, ik geloof gewoon niet meer dat ze uitkomen door triviale feiten.

Alleen nog dromen. Ik heb al meer dromen weten uitkomen dan wensen, bovendien.