Forensen is niet, zoals ik eerst dacht tijdens de avondmaaltijd, iets met een lijk en een wetenschappelijk onderzoek om te weten waaróm het een lijk is, maar wel gewoon met de trein gaan werken. Vandaag was ik een pendelaarster, toen ik voor een visitatievergadering (lang, saai verhaal, really) de trein naar Brussel nam. Ik werd er een echte toen de trein waarop ik wachtte aankwam op het enige perron zonder fatsoenlijke fancy overdekking en ik natter werd dan ik zo mogelijk al was. Ondanks dat feit nam ik de papieren voor mijn vergadering even door, waardoor ik zelfs even 36 werd.

Ik werd de beste van alle pendelaars in het hele station van Leuven toen de trein waarop ik in de regen wachtte zeven minuten vertraging had, en ik dat euvel glimlachend doorstond, als een soort moderne schoonheid, een pendelaarster met a4-tjes in haar hand, witte oortjes in haar oren en een natte streng haren tegen mijn kaaklijn. Mét vertraging in de regen, en toch nog glimlachend. Glimlachend naar de kindjes wier lawaai ik toch niet hoorde, glimlachend naar de jongen met de metro, glimlachend naar een meisje met heel kort haar.

Ik was echt een goede pendelaarster vanmiddag toen ik met een gezwinde blik op het bord van Brussel Centraal doorhad dat ik meteen - nu - een trein had, de Nederlanders van de vergadering een hand gaf en tot in maart zei, en dan met een afwezige blik op Leuven ging zitten wachten. Waarna de trein aankwam en er eventjes een kleine barst was in mijn imago van Perfecte Pendelaarster, toen ik niet wist welke kant ik op moest, de verkeerde kant koos en halfweg rechtsomkeer moest maken, met een verwarde in plaats van een pendelende blik op mijn station.

Pendelen kan ik als de beste, maar oriëntatie, dat wil niet altijd lukken. Op een zonnige dag in april, twee jaar geleden, ben ik verdwaald in het stadspark van Leuven. Geef mij maar een perron in de regen.