Gedichtendag vandaag! Daarom laat ik deze post, een beetje althans, over aan iemand die écht weet wat schrijven is.

Kent u Gerrit Komrij? Niet alleen is dat een hele grappige, sappige Nederlander met een bijzonder flubberige kin, het is ook een dichter die niet alleen schrijft, maar ook leest, véél gedichten leest. Hij kent dus het klappen van de zweep.

Al die gedichten zitten samen in twee boekdelen, tweeduizend en enige gedichten. Ik heb ze staan omdat het niet anders kon, vond ik. Ik lees er echter zelden in, want ze zijn dik en het gaat om erg verscheiden werk. Hooguit neem ik soms de inhoudstafel door, om te kijken wie ik ken en wie niet.

Blijkt bijvoorbeeld, net nog, dat de man waarover ik een paper schreef omdat ie naar Rusland is gereisd in de, goh achttiende eeuw ofzo, dat die ook gedichten schreef, en blijkbaar niet zo'n slechte, want als ik Komrij mag geloven staan enkel de echt goeie dichters erin. Het boek dat Jean Nolet de Brauwere van Steeland schreef over zijn reisje naar het Noorde was anders bijzonder slecht, maar goed, dat was dan ook hoegenaamd geen gedicht.

Door die inhoudstafel heb ik, aan de hand van de geboortedata, ontdekt dat J. Bernlef niet de kleinzoon, zoals de leerkracht Nederlands ons vertelde, maar de zoon van Hendrik Marsman moet zijn. Bernlef werd geboren toen Marsman 37 was. Tenzij het om twee vroegrijpe dichters ging gaat het om een vader en zijn zoon.

Alleen de beste dus, en Komrij is niet zo bescheiden zichzelf niet op te nemen. Eén gedicht, van vier korte strofen. Hieronder echter een ander gedicht, uit Een mooie kleine revolutie, ook door hem samengesteld. 't Is niet zo heel poëtisch, er zitten geen metaforen in of synesthesiën, maar ik hou van de boodschap, en bovendien vind ik het fijn als een gedicht helder is. Zodat ik het kan lezen als ik bijvoorbeeld eventjes de tijd heb, maar meer niet.

Alles blijft

Daar stond een muur die ik heb aangeraakt.
De muur werd afgebroken. Van het puin
Werd verderop een fundament gemaakt.
Ik plantte een fruitboom in mijn oude tuin.

Die werd geasfalteerd. Vijf meter diep
Houdt zich een wortelstronk nog grommend koest.
Vijf eeuwen lang desnoods. De Spaanse griep
Landt ooit op Mars omdat ik heb gehoest.

Er was een vriend aan wie ik heb geschreven,
Een rots waar ik mijn naam in heb gekerfd.
Je bent een deel van alles bij je leven
En alles blijft bestaan wanneer je sterft.


Ik weet niet hoe dat met u is, maar bij het lezen van de Spaanse griep krijg ik altijd een klein beetje een krop in mijn keel. En ik vind koest en hoest zo ontroerend mooi rijmen, onopvallend bijna.

Zo, geniet van uw gedichtendag. Vanavond voor het slapengaan een gedichtje lezen.