Als mijn handen voor mij op mijn bureau liggen terwijl ik naar een papier een beetje verder kijk, zie ik twee littekens. Een recente ontmoeting van mijn kat en een minder recente brandwonde van op kamp (ik ben lomp, ik zeg het vast nu al). Als ik echt ga tellen, dan heb ik er om en bij de twintig. Het lijkt mij tamelijk veel, maar ik heb al mijn hele leven katten en kan daar niet zo goed mee om, eigenlijk. En daarbij ben ik ook nog eens, ik zei het al, lomp. Ik snij in mijn vingers dat het geen naam heeft en ik haal regelmatig mijn hand open aan de rozen naast de oprit, hoewel die daar al vijftien jaar staan, waarschijnlijk. (Hoe Vlaams, toch, rozen naast de oprit.)

Er zijn er waarschijnlijk een tiental afkomstig van kattenkrabben, als ik erover ga nadenken. Die zijn meestal weg na een paar maanden, maar ik heb er eentje, een beetje een storend zelfs, dat er al meer dan een jaar staat, omdat het een tijdje mee in het gips heeft gezeten en gek is gaan doen, daarin. Er is er maar eentje waarvan ik niet weet waarvan ze komen, een wit, fijn streepje op mijn middenvinger waar ik denk ik mee geboren ben. Maar er is er ook een heel mooi op mijn vinger van erin te zagen op 15 juli, ik vind het maar freaky dat ik dat nog weet, die datum. En er is er ook een dat zo vies was toen het nog een wondje was, dat ik ervan ben flauwgevallen. Gênant, want het was bij de buren. Ik was wel nog maar veertien en het litteken is er nog, dus het was echt een heel vies wondje.

En één keer, op kamp in Zwitserland, heeft Eslin een kap uit mijn hand gehouwen.

Alle excuses zijn goed om niet naar het papier voor mij te kijken. Allemaal.