Vandaag, opnieuw, woordjes leren. Met stip de saaiste manier van studeren. Edoch, er is daar een gedicht over, van Jan Eijkelboom, dat zegt:

Jongens, heb je verdriet, sprak toen de leraar Grieks, dan moet je woordjes leren, woordjes leren.

Dát hebben ze alvast goed begrepen in ons onderwijssysteem, woordenlijsten waren zowat de enige constante in mijn leven van mijn tien jaar tot nu elf jaar later, van Frans naar Latijn naar Engels naar Duits naar Pools en Russisch, en vorig jaar ben ik een tijdje in Gent Bulgaarse woordjes gaan leren maar die heb ik laten liggen. In Gent, that is.

En tóch verdriet gehad in mijn leven, trouwens, niet altijd en ook niet nu, maar vast wel net eens op het moment dat er een stapel A4-tjes in twee kolommen voor mij lag. Eijkelboom had écht ongelijk, want vaak werd ik verdrietig net door de woordjes voor me. Dan zette ik een kruisje voor een Latijns woordje dat ik niet kende en op den duur tuurde ik hele avonden naar Latijnse woordjes met een rij x-jes voor. Kusjes van Romeinen, ieder jaar weer met de hakken over de sloot.

Op de eerste echte elf september was ik woordjes Duits aan het leren. Op mijn achtiendde verjaardag had ik een woordjestest van Russisch. Twee plakkerig hete dagen lang in de zomer van tweede bach leerde ik woordjes die ik nog niet eerder gevonden had in mijn nota's Pools en die er toch nog in moesten. Tien weken lang bekeek ik elke vrijdag een uur Bulgaarse woordjes in de trein naar Gent.

Kind-enfant-puer-kid-Kind-dziecko-ребёнок-дето. Woordjes leren. Maar toch, het houdt je gedachten tóch ver weg van wereldleed en lichtpollutie. Da's meer dan wiskunde voor mij ooit gedaan heeft. En op een dag, daar ben ik zeker van, ga ik missen wat ik nu de hele dag verfoei. For the time being, echter, ga ik daar nog een tijdje mee door.