Ik heb een groot raam in mijn kamer dat uitkijkt op een parking. Ik stel me soms voor dat ik een oude vrouw ben die enkel nog in een stoel voor het raam kan zitten turen. 't Zou een saai leven zijn, want er gebeurt bijzonder weinig op dat stukje asfalt en al helemaal niets van het soort dat een oude vrouw zou kunnen boeien. De koning, om maar wat te zeggen, moet er zelden langs. Liever dus word ik een kwieke dame met kousophouders die ondanks het feit dat ze de tachtig al voorbij is niet geďntresseerd is in het doen en laten van de koning.

Zolang ik jong ben trouwens, kijk ik enkel 's avonds door dat raam, als ik mijn latjes aflaat om het straatlicht te blokkeren. 't Is een gewoonte die ik heb sinds ik nog maar pas deze kamer had, daarvoor sliep ik in een kamertje met een dakraam. Een dakraam is handig, en alles, maar erdoor kijken is niet echt comfortabel voor de nek.

Toen had ik ineens een raam van anderhalve meter op een meter en vond ik mij de koning te rijk. Elke avond duw ik een latje naar boven en een latje naar beneden – het soort beweging als een vrouw uit een vijftv-film zich zorgen maakt waar haar man toch blijft. Elke avond opnieuw kijk ik door zo'n spleetje naar buiten. En elke avond krijg ik het doodsbenauwd als ik bedenk dat ik op een dag misschien een moord ga zien gebeuren op die parking. De moordenaar, bezorgd, kijkt om zich heen, ziet net een streepje licht en een beweging, uit dezelfde slechte film. Ik word voortvluchtige voor de rest van mijn leven, want áls ik dan al een moord zou zien gebeuren, dan is het er vast een politieke die in de doofpot wordt gestoken. Een huurmoordenaar staat in voor het opruimen van de getuigen, ik en mijn buurvrouw, die altijd alles gezien heeft, dus zeker ook die moord.

Deze kamer is misschien groter, de vorige was beduidend minder gevaarlijk.