Ik zag vandaag een dode man. Zijn benen licht gespreid, een ouderwetse jas erover.

't Was niet de eerste keer dat ik een dode zag, maar toen de man die nog het meest mijn overgrootvader genoemd kan worden stierf, was ik een kind en vond ik het jammer dat ik niet naar de tekenschool mocht. Op de begrafenis, mijn eerste, had ik mijn beste kleedje aan en toen ik het lichaam moest gaan groeten keek ik resoluut alleen maar naar de benen. De onderbenen liefst, het gezicht wou ik zoveel mogelijk vermijden.

Vandaag was ik zomaar in de Vanderkelenstraat aan het wandelen. Onwillekeurig keek ik toch, er was weinig ruimte om te passeren met mijn fiets en ik moest even blijven wachten. Weer tuurde ik overtuigd naar zijn benen, dat ene punt waar die man zijn benen licht gespreid lagen trok mijn aandacht onbehouwen naar zich toe, de rest van de wereld, de kerstversiering en feestelijke etalages allemaal ten spijt. Een paar seconden lang was er alleen een broek in bruin velours. Toen kon ik door en ging ik, maar niet snel genoeg dat ik niet zou horen vragen hoe iemand vroeg:

- ademt hij?

En erger nog hoe iemand nee antwoordde, met zijn vingers aan de hals alsof het een medisch drama was en niet de Vanderkelenstraat om twee uur 's middags. Ik zag de ambulance komen en de mug, de paniek in de ogen van een blond meisje met een paardestaart, mijn leeftijd ongeveer.

Heel even wou ik heel hard huilen, en heel even moest ik overgeven, maar toen kwam ik tot mezelf. Ik was stil tijdens de les, maar op het einde was dit stukje af. Schrijven is verwerken, ook zonder pen en zonder echt verdriet.