Een chirokamp vergeet je niet licht. Ik ben ergens opgelucht dat de mensen die zo triomfantelijk ons kampterrein overnamen de 31ste, ondertussen ook naar huis moeten en zich zo beroerd voelen als ik tien dagen geleden. Beroerd op alle gebieden. Het kamp is een kamp geleden.

En net nu, of al enkele dagen geleden, krijg ik van mijn langste vriendin een idee toegestuurd om er opnieuw mee te beginnen, om terug deel uit te maken van de groep mensen waar ik al veel aan gehad heb. Er geen deel van uitmaken voelt soms alsof al mijn beste vrienden afspreken en mij niet uitnodigen omdat ik er niet bijhoor. Maar ook die groep is door de in-en uitstroom intussen zo veranderd.

De eis dat we het samen zouden doen, dat we samen leiding zouden geven aan een specifieke groep van neige kinderen, is echter zo gigantesk dat ik zelf zou protesteren. Dit soort engagement hangt niet af van vriendschappen, zou ik zeggen, en ik vervloek mezelf dat ik dat bedacht heb, want ik heb een streng geweten en ik zit vol principes. Als ik zo verder doe, word ik ooit mijn eigen antagonist of toch de nagel aan mijn doodskist (nu klopt mijn moeder op hout).

Dit is wat ik liever wil doen dan alle andere dingen die ik misschien wil doen. Vooral als ik denk aan koude zondagavonden, waarop we samen zouden eten dan, allemaal, en de douche die je tenen ontdooit, en thee drinken op zomers zand met andere oude vrienden, in het stukje ochtend dat je moet overbruggen tussen nacht en dag als je niet gaat slapen. Ik heb die thee gekocht, die we toen gedronken hadden.

Ofwel ga ik ervoor, geef ik mij één jaar helemaal totaal en vooral ongebreideld enthousiast, ofwel laat ik de utopie de utopie, verbijt ik lege zondagnamiddagen en vind ik voor de rest iets nieuws.