Die Poolse buren. 't Zijn er twee, oude meneren die beleefd dag zeggen als ik hen in de hal tegenkom en soms eens iets vragen, ze weten dat ik Pools kan. Of ik naar huis ga met Pasen, bijvoorbeeld, hoe het gaat, wat ik van het weer vind. Burenpraatjes, dus. Beide mannen hebben nu een beeld van België als het land waarin flamboyante jonge dames wonen die kurkentrekkers lenen en blikopeneners en ook overschalen. Het land waarin Pasen niks betekent. Waarin de lente warmer is. En dat er geen trams rijden in Leuven. Maar dat ze wel blikopeners hebben, want, meneer, ik heb van thuis zelf een gekregen, maar toch heel hard bedankt. En dan die meisjes bezoek ontvangen, ook meisjes, die giechelen, zoals het goede meisjes betaamt, en geen Pools spreken, misschien ook wel zoals het meisjes betaamt.

Want, we gingen een overschotel maken, wij meiden, maar behalve groenten en vlees en echte Poolse patatten heb je daar ook, juist, een overschotel voor nodig. En laat dat nu net een wezenlijk element zijn dat ontbreekt in onze keuken. Ik dus naar de buren. Voor de zekerheid overschotel opgezocht. Dat woord behoort tot een categorie woorden die ik heb ooit overgetypt vanop onduidelijke notitie's in een word-document met twee kolommen, met een tab tussen. Die woorden ben ik doorgaans al vergeten en rakel ik nu weer op, waspoeder, badschuim, blikopener. Ze komen vanzelf weer terug, eigenlijk, maar ik wou niet afgaan bij de Poolse buren, en dus het woordenboek erbij gehaald. Ik had het juist onthouden. Miska. Ik vind het een mooi woord.

Hij had er geen, zei de man, en ik dus naar de Duitse buren. Daar had ik de dag tevoren al boter geleend dus die dacht ik even te ontzien. De Duitsers hadden ook geen schotel, maar toen ik terug was, was de Poolse buurman al een schotel komen brengen. Wat-ie gezegd heeft tegen de dames zullen we nooit weten.