Ik heb een tijdje lastig rondgelopen. Latent eerder, ik heb werk waarvoor ik vriendelijk moet zijn en dat lukt me altijd, maar soms moest ik plots dieper dan mijn navel gaan voor het laatste beetje glimlach.

Ik sliep slecht. Het begon met het gat in mijn hand dat traag en pijnlijk genas nog steeds is het niet dicht, het litteken scheurt steeds weer opnieuw een beetje open, door de kou, of lichte wrijving in mijn broekzak.

Weer wist ik me gezegend dat ik in de regel zorgeloos en zalig slaap, want tijdens eenzame, wakkere uren lijkt er in mijn hoofd enkel ruimte voor de zorgen van mijn broze meisjeshart. Ik ben alweer zesentwintig geworden en mijn leven lijkt in niets op wat ik me er tien jaar geleden van voorstelde.

Dat is, voor alle duidelijkheid, bijna uitsluitend positief op mijn zestiende was ik wereldvreemd, naef, had ik bijzonder weinig vrienden en geen idee van het vuur dat in mij brandt en hoe waardevol dat is. Ik schatte toen mezelf niet in en dus al helemaal niet naar de juiste waarde.

Maar tijdens de koudste nachten van het jaar is, wakker dan toch, alles anders.

Mijn huisarts, die het gat in mijn hand bekeek, raadde me een paar dagen vakantie aan. Een gouden tip, want het ergste beetje winterdip had ik doorworsteld toen die zich deze week eindelijk aandienden, waardoor ik plots gewoon vakantie had. Tegen de verwachting in was het nog putje winter, maar daar kon ik dan, op zich, mee leven.

En toen dinsdag, na die eerste vrije dag, ging ik s avonds lopen. Ik loop wel vaker in de kou, weinig houdt mij tegen lopen is het beste medicijn tegen kleine ellende als hoofdpijn of scheldtirades die je nooit kan uitspreken. En kou was het, met veel verse sneeuw en gladde riooldeksels om te vermijden wat dat betreft was dinsdagavond niet veel anders dan het gros van januari. Waar het gat in mijn hand al in litteken is veranderd werd mijn vel donkerpaars, zo kon ik zien, ja, het is nog steeds geen voorjaar.

En toch niet helemaal. Vaak loop ik in het pikkedonker over de schaars verlichte piste, te hopen dat verkrachters de winter minder fit dan ik doorkomen. En plots werd het niet donker. De zon ging onder, maar de kleur van de wereld verdween nog niet meteen weer blauwe lucht, na weken grijs, en zelfs met roze strepen, zon avond uit een jeugdboek dat je altijd bijblijft.

De winter is er nog in de kleren die ik draag, in de kilte van mijn neus, in mijn gesprongen lippen, in de hopen sneeuw die zo hardnekkig blijven liggen. Maar het licht is nu al van de lente.