Ik ben gestopt met schoenen dragen. Alleen nog teenslippers, af en toe, maar de mijne hebben de neiging een eigen leven te gaan leiden. Zo liet ik ze ooit achter up on the hills, waar er veel onkruid is om te wieden, maar net die ene keer werkten we daarna shift na shift overal, maar niet meer up on the hills, zoals de boer dat pleegt te zeggen, tot mijn teenslippers plots, bij bate van deze of gene weldoener, onder de boom met de hangmat en de groene mieren kwamen te liggen en ik ze weer dragen kon. Na twee shifts waarin mijn zolen zich beschermd wisten tegen de soms verschroeiend hete aarde, gingen we aardappels rooien en speelde ik ze uit, ik legde ze op de zijkant van de graafmachine die de patatjes uit de grond schept en ze omhoogstuwt tot ze naar beneden vallen, waar ik ze vang. De oranje teenslipper met de rode bloemen bleef keurig liggen op zijn plaats, maar de rode met de oranje viel van de oranjerode machine af en werd begrafen in de voren die ze trekt tot ie later op een onverwacht moment weer boven kwam. H, hier ligt een teenslipper, zei mijn Nederlandse collega, en alsjemenou, wat had ik me daar, het was de mijne!

Er zijn veel dingen die ik nu kan die ik in Belgi niet kon, zoals limoenen plukken of vierdeklas aardappelen verwerken tot een maaltijd, of sojabonen laten zwellen voor de varkens in afwachting van de rijping van hun vlees, of in doornen staan zonder dat het pijn doet aan mijn tenen, enkel aan mijn vingers want die krijgen maar geen eelt, enkel blaren die daarna tot een dun laagje vel verworden, waaronder zich opnieuw vocht ophoopt, tot barstens toe. Ergens op de grens van twee blaren, een nieuwe en een oude, kan ik mijn eigen huid zien twijfelen tussen openscheuren en genezen.

s Nachts slaap ik diep. Word ik wakker om te plassen, dan hurk ik op de rand van het erf en leeg ik daar mijn blaas. Wildplassen heb ik altijd al een vreemd genoegen gevonden en toen op een nacht te heuvels in de verte zacht, maar toch ook woedend gloeiden door de bosbranden die daar woedden, kon ik niet anders dan inzien dat dat plassen op dat erf een dierbare herinnering zou worden. Ik koesterde alles terwijl ik het beleefde, het kriebelen van het zand tussen mijn tenen, het flakkeren van dat verre vuur, de plotse kalmte in mijn onderbuik, de warmte van mijn slechte bed slechts seconden later ik weet dat wat ik meemaak slechts een fractie duurt van hoe lang ik het onthouden kan, dus begin ik vaak alvast met de herinnering.

Ik ga straks weer naar de boerderij waar de limoenen rijpen en de aarde schroeit en het onkruid opschiet en waar er een Alo vera-plant staat om het stugge, dunne vel van mijn handen de verkoeling te bieden die het nodig heeft. Ik zal opnieuw plassen op het erf en als wind en warmte me genadig zijn, zal ik de gloed zien die me zo verraste toen die eerste keer en m herkennen als een oude vriend.

Tot hier dus, mijn kleine digitale renaissance uit Mutchilba.